| |||||||||||
Total unique visitors |
Werkstuk Waterpolo
Inhoudsopgave,
In groep 7 en 8 kregen we de opdracht om een werkstuk te maken.
1. Dit is waterpolo
2. Categorieën Je hebt verschillende soorten categorieën. 2.1 Mini’s Kinderen die hun A en B diploma hebben en minstens 6 jaar oud zijn kunnen al meedoen met het miniwaterpolo. De Mini’s zijn de jongste kinderen, ook kinderen die er net opkomen komen meestal eerst daar terecht. Dat is zodat je de vaardigheden met de bal enzo goed leert. Voor deze kinderen is er elke maand een miniwaterpolotoernooi. Het miniwaterpolo kan gespeeld worden in het ondiepe bad, hier spelen de mini’s van 6 en 7 jaar. In het diepe bad spelen de mini’s van 8 en 9 jaar. Het veld waar ze in spelen is erg klein. Ze spelen namelijk in de breedte van het zwembad. Er passen twee velden naast elkaar. Ze spelen met een miniwaterpolobal. Die is kleiner dan een normale bal. 2.2 Pupillen De pupillen zijn van 9 tot en met 11 jaar. Je speelt daar al veel meer wedstrijden, bijna iedere week 1. Je hebt daar ook meer vaardigheden. Het veld is ongeveer 15m breed en 20m lang. 2.3 Aspiranten De aspiranten zijn kinderen van 12 tot en met ongeveer 16 jaar. Je hebt verschillende soorten aspiranten. Meisjes aspiranten: dat is alleen voor meisjes. Jongens aspiranten: dat is alleen voor jongens. Mix aspiranten: dat is voor jongens en meiden. Deze categorie, aspiranten, heeft ook bijna iedere week een wedstrijd. 2.4 Dames Je hebt ook nog de dames. Dat is alleen voor ‘dames’ vrouwen dus. De leeftijd om daarbij te komen is ongeveer 16 jaar, en het ligt er ook aan of je goed genoeg bent daarvoor. 2.5 Heren Je hebt ook de heren, dat is hetzelfde principe als bij de dames. Dit is dus alleen voor heren. De leeftijd daarvan is ook ongeveer 16 jaar en je moet natuurlijk ook weer goed genoeg zijn. 3. Hoe het werkt 3.1 Spelregels Je hebt spelregels, bijvoorbeeld, je mag de bal niet met 2 handen gooien of vangen. Als je een strafworp mag nemen mag moet je meteen schieten, je mag niet eerst dreigen. Je kan ook overtredingen maken. Die maak je door bijvoorbeeld iemand onder te duwen die de bal niet heeft of iemand vastpakken en dan terugtrekken. Het team dat daar het ‘slachtoffer’ van is krijgt een vrije bal. Je mag dan zonder dat iemand je kan hinderen de bal gooien naar je medespeler (een speler uit je team is natuurlijk het handigste). Je mag niet meteen scoren met een vrije bal. Je kan ook zwaardere overtredingen maken zoals bijvoorbeeld over iemands rug heen zwemmen. Als de scheidsrechter dat ziet kan je er uit gestuurd worden. Dan komt er een wissel in. Je mag er daarna wel weer in hoor. Maar als je er 3 keer uit bent gestuurd dan mag je die wedstrijd niet meer mee doen. 4. De Geschiedenis 4.1 Het ontstaan In 1840 is de naam waterpolo ontstaan. Waterpolo is ontstaan door mensen
die op vaten zaten en met peddels de bal in het doel probeerde te krijgen.
In 1870 werden er een aantal regels geschreven. In 1880 en in 1888 heeft
waterpolo de vorm van tegenwoordig gekregen. In 1908 werden de regels vastgesteld
toen de deferderation internationale amateur werd opgericht. Sinds 1900
is waterpolo een Olympische sport geworden. Waterpolo is ook de langst
bestaande teamsport.
4.2 Zo deden ze het vroeger Het waterpolo wordt in Nederland al heel lang gespeeld, de eerste competitie was in 1901. De spelers van toen zwommen geen borstcrawl zoals nu, maar de Spaanse slag. Bij de Spaanse slag zwem je borstcrawl met je armen en schoolslag met je benen. Ook hadden ze niet van die mooie capjes zoals nu. De vrouwen hadden een soort hoofddoekje met een nummer. De mannen een soort pet zonder klep met een nummer. De ballen waarmee werd gespeeld waren gemaakt van leer. De leren ballen werden in het water erg zwaar en je had weinig grip. Daarom worden ze tegenwoordig gemaakt van kunststof. 5. Wedstrijden 5.1 Training Voor een wedstrijd moet je trainen. Je hebt dan ook elke week training,
je zwemt dan banen, snel en ook langzamer en je moet met de bal zwemmen
en op doel schieten. Soms moet je overgooien en dat soort dingen. Dus je
traint voor de wedstrijd maar ook voor je conditie.
5.2 Zo doe je mee Als je mee wilt doen aan wedstrijden moet je een legitimatiebewijs hebben. Alleen dan kan je meespelen, want dan kunnen ze zien wie je bent. Op de volgende bladzijde kan je die van mij zien, de foto is wel erg oud, maar goed, die moet je regelmatig vernieuwen.
Mijn Legitimatiebewijs. 5.3 Een wedstrijd
Voordat de wedstrijd begint worden de nagels van de spelers door de scheidsrechter gecontroleerd. Dat is om verwondingen te voorkomen. Ook kijkt hij naar de legitimatiekaarten en het wedstrijdformulier. Als alles in orde is kan de wedstrijd beginnen. Bij het begin van de wedstrijd en elke volgende periode liggen de teams klaar, ieder bij hun eigen doel, tegenover elkaar in het water. De scheidsrechter staat langs de kant precies in het midden. Als de scheidsrechter fluit gooit hij de bal in het midden en zal de snelste speler de bal pakken. Het is de bedoeling dat door goed samenspel en zwemmen de tegenstanders onder druk worden gezet. Als er een doelpunt is gevallen gaan beide teams op hun eigen helft liggen. Het team dat net heeft gescoord gaat nu verdedigen. De pupillen en aspiranten spelen 4 perioden van 4 minuten zuivere speeltijd en de dames en heren spelen 4 perioden van 5 minuten zuivere speeltijd. Dat betekent dat als de spelbegeleider fluit de tijdwaarnemer de klok stil zet. Tussen elke periode heb je ongeveer 1 minuut rust.
De coach kan de spelers dan dingen vertellen die ze wel of niet moeten doen. Alles bij elkaar duurt de wedstrijd ongeveer 30 minuten. Als de wedstrijd afgelopen is dan gaat de aanvoerder van het team naar de jurytafel zijn handtekening op het wedstrijdformulier zetten. Dan krijg je een deel van het formulier mee. Als je thuis speelt een geel en als je uit speelt een roze blad. Je geeft ook de scheidsrechter en de aanvoerder van de tegenstander een hand. 5.4 Speelveld Je hebt natuurlijk ook een speelveld. Hier zie je er een van de aspiranten en hoger.
5.5 Competitie Als je bij de pupillen bent of hoger dan doe je mee aan een competitie, er doen dan allemaal teams mee en dan speel je daartegen. Het wisselt af tegen wie je moet. 5.6 TEVAN beker cup Je hebt ook nog een andere competitie. De TEVAN beker competitie. Dat is eigenlijk ook een soort competitie alleen hier vallen er telkens wat af. Het uiteindelijke winnende team krijgt de beker. 5.7 Scheidsrechter De scheidsrechter controleert de dingen van de wedstrijd. Hij fluit ook als er iets in het spel gebeurt. Hier zie je heel erg veel bewegingen met uitleg.
Fig. A De scheidsrechter beweegt zijn arm omlaag vanuit een verticale positie: 1) teken voor het begin van een speelperiode. 2) teken voor het herbegin na een doelpunt 3) teken voor het nemen van een strafworp duimen naar boven gericht de plaats aan waar de neutrale inworp is toegekend en vraagt om de bal. Fig. E Teken voor het gelijktijdig uitsluiten van twee spelers. De scheidsrechter zal met beide handen naar de twee spelers wijzen, en aangeven overeenkomstig Figuur D dat ze uitgesloten zijn en vervolgens de mutsnummers aangeven. Fig. F Teken om het uitsluiten van een speler met vervanging aan te geven. De scheidsrechter geeft de uitsluiting aan in overeenstemming met fig. D (of indien van toepassing fig. E). Hij draait zijn handen om de beurt in het rond, duidelijk zichtbaar voor de spelers in het veld en de jurytafel. De scheidsrechter geeft het mutsnummer van de uitgestuurde speler door aan de jurytafel. Fig. G Teken om het uitsluiten van een speler zonder vervanging aan te geven. De scheidsrechter geeft het teken voor de uitsluiting overeenkomstig Figuur D (of Figuur E indien van toepassing) en kruist vervolgens zijn armen op zodanige wijze dat dit zichtbaar is voor zowel de spelers in het speelveld als voor de jurytafel. De scheidsrechter geeft het mutsnummer van de uitgestuurde speler door aan de jurytafel. Fig. H Teken voor het toekennen van een strafworp. De scheidsrechter brengt zijn arm met vier opgestoken vingers omhoog. Daarna geeft hij de jurytafel het mutsnummer door van de verdedigende speler tegen wie de strafworp is toegekend. Fig. I De scheidsrechter zal een doelpunt aangeven met een fluitsignaal gevolgd door het onmiddellijk wijzen naar het midden van het speelveld. Fig. J Teken om de uitsluitingfout van het vasthouden van een tegenstander aan te geven. De scheidsrechter maakt een gebaar waarbij hij de pols van de ene hand met de andere hand vasthoudt. Fig. K Teken om de uitsluitingfout van het onderduwen van een tegenstander aan te geven. De scheidsrechter maakt een neergaande beweging met beide handen beginnend vanuit een horizontale positie. Fig. L Teken om de uitsluitingfout van het naar zich toe trekken van een tegenstander aan te geven. De scheidsrechter maakt een terugtrekkende beweging waarbij hij beide handen verticaal gestrekt naar zijn lichaam toe beweegt. Fig. M Teken om de uitsluitingfout van het trappen van een tegenstander aan te geven. De scheidsrechter maakt met één voet een trappende beweging terwijl hij op de andere voet blijft staan Fig. N Teken om de uitsluitingfout van het slaan van een tegenstander aan te geven. De scheidsrechter maakt een slaande beweging met de gesloten vuist, beginnend vanuit een horizontale positie. Fig. O Teken om de gewone fout van het wegduwen of zich afzetten van een tegenstander aan te geven. De scheidsrechter maakt met zijn arm een van zijn lichaam afduwende beweging beginnend vanuit een horizontale positie. Fig. P Teken om de gewone fout van het hinderen of zwemmen over een tegenstander aan te geven. De scheidsrechter maakt een kruisend gebaar waarbij de ene hand de andere horizontaal kruist. Fig. Q Teken om de gewone fout van het volledig onder water duwen van de bal aan te geven. De scheidsrechter maakt een naar benedenwaartse beweging met zijn hand, beginnend vanuit een horizontale positie. Fig. R Teken om de gewone fout van het staan op de bodem aan te geven. De scheidsrechter beweegt één voet omhoog en omlaag. Fig. S Teken om de gewone fout van het onnodig tijd verspillen bij het nemen van een vrije worp, doelworp of hoekworp aan te geven. De scheidsrechter beweegt zijn hand op een zichtbare manier een of twee keer op en neer, de handpalm naar boven gericht. Fig. T Teken om een overtreding van de 2-meterregel aan te geven. De scheidsrechter geeft het nummer twee aan, door de wijs- en de middelvinger omhoog te steken met de arm verticaal gestrekt. Fig. U Teken om de gewone fout van tijdverspilling of het aflopen van de 35-secondenklok aan te geven. De scheidsrechter maakt met zijn hand twee of drie keer een cirkelgebaar. Fig. V Teken van een grensrechter voorafgaand aan het
begin van een spelperiode d.m.v. Fig. W Teken van een grensrechter om een onjuiste (her)start of een verkeerd terugkomend uitgesloten speler aan te geven, d.m.v. het heffen van beide armen in verticale positie. horizontaal wijzen van de arm in aanvallende richting. Fig. Y Het teken van de grensrechter om een doelpunt aan te geven, d.m.v. het heffen en kruisen van beide armen. Fig. Z Tekens ter aanduiding van het mutsnummer van een speler. Om beter met de spelers en de secretaris te communiceren worden in voorkomende gevallen beide handen gebruikt, wanneer het nummer hoger dan vijf is. Eén hand toont dan vijf vingers en samen met de andere hand wordt het aantal extra vingers getoond, waardoor dan de som van het mutsnummer van de speler wordt gevormd. Voor het nummer tien wordt een gesloten vuist getoond. Indien het nummer hoger is dan tien, dan toont één hand de gesloten vuist en de andere hand het aanvullend aantal vingers om het juiste nummer van de speler vol te maken. 5.8 Jurytafel De jurytafel moet worden opgesteld ter hoogte van de middellijn. Er
zitten meestal 2 of 3 mensen achter. Die stoppen de tijd en laten de tijd
weer verder gaan en ze vullen het wedstrijdformulier in, die kan je hier
ook zien, normaal is hij wel wat groter, ongeveer A4 formaat. De mensen
die dit doen (achter de jurytafel) moeten wel een geldige legitimatiekaart
hebben en een W-official diploma hebben. Pas dan mag je achter de tafel
zitten.
Dit is een Wedstrijd formulier, ze vullen dan de namen in en als de wedstrijd bezig is schrijven ze de goals op en wie er een overtreding maakt. |