| |||||||||||
Total unique visitors |
1. Het Waterpolo
Waterpolo is een sport voor echte knullen en pittige meiden die wel tegen een stootje kunnen. Wie geen stootje kan verdragen en al bang is als iemand naar ze wijst kan beter niet gaan waterpoloën. Het waterpolo wordt in Nederland al heel lang gespeeld, de eerste competitie was in 1901. De spelers van toen zwommen geen borstcrawl zoals nu, maar de spaanse slag. Bij de spaanse slag zwem je borstcrawl met je armen en schoolslag met je benen. Ook hadden ze niet van die mooie capjes zoals nu. De vrouwen hadden een soort hoofddoekje met een nummer. De mannen een soort pet zonder klep met een nummer. De ballen waarmee werd gespeeld waren gemaakt van leer. De leren ballen werden in het water erg zwaar en je had weinig grip. Daarom worden ze tegenwoordig gemaakt van kunststof.
Waterpolo is in Nederland heel populair. In Nederland wordt de grootste waterpolocompetitie ter wereld gehouden. Toch ging het de laatste jaren minder goed, dit kwam omdat veel sporten zich op de kinderen van 6 en 7 jaar gingen richten. Denk maar aan minihockey, minitennis en minihandbal. Gelukkig heeft de Nederlandse Zwembond daar iets op bedacht namelijk het Miniwaterpolo. 2. Het Miniwaterpolo
De grootte van het team is ook anders dan bij waterpolo, ze spelen maar met vier spelers en een keeper. Ook gelden er andere spelregels voor de kinderen om het spelletje waterpolo wat makkelijker te maken. Elk team dat meedoet aan een toernooi mag een naam voor het team verzinnen bijvoorbeeld de haaien, of de spetters. Per toernooi speel je 5 tot 6 wedstrijden en aan het eind van het toernooi krijg je allemaal een vaantje. Of je nou gewonnen of verloren hebt dat maakt niks uit, het gaat om de lol. Het is natuurlijk wel leuk om te winnen, maar om te winnen moet je hard trainen. Kinderen die 8 of 9 jaar zijn en het spelletje al aardig kunnen spelen gaan naar de pupillen. Bij de pupillen ga je competitie spelen en heb je bijna elke week een wedstrijd. Ook hier zijn nog een paar dingen anders dan bij de groten. Het veld is 15m breed en 20m lang, bij de groten 15m breed en 25m lang. Het doel is 2m breed en 90cm hoog, bij de groten 3m breed en 90cm hoog. Er wordt nog steeds 5 tegen 5 gespeeld met een miniwaterpolobal en de wedstrijd wordt geleid door een spelbegeleider. Een spelbegeleider fluit net als een scheidsrechter maar legt ook dingen uit tijdens de wedstrijd. Bij de groten wordt er 7 tegen 7 gespeeld met een dames of herenbal. De wedstrijd wordt geleid door 1 of 2 scheidsrechters afhankelijk van hoe hoog je speelt. 3. De Trainingen
Het vasthouden van de bal.
Om te kijken of je alle technieken goed kunt uitvoeren is er het brevetzwemmen voor waterpolo. Je kunt drie brevetten halen waar alle technieken in voorkomen van makkelijk naar moeilijk. Aan het einde van de training wordt meestal een spel of wedstrijdje gespeeld. Zo worden ook de spelregels goed geleerd. 4. Wat heb je nodig om een wedstrijd te kunnen spelen?
Maar ook bij welke vereniging je speelt en hoe lang je kaart geldig is. Heel belangrijk is ook je startvergunningnummer die moet de secretaris namelijk invullen op het wedstrijdformulier. Aan de rand van het zwembad moeten aan beide kanten pionnen worden neergezet om de 2m lijn, de 4m lijn, de 7m lijn en het midden van het bad aan te geven.
Deze aanduidingen worden namelijk gebruikt voor bepaalde spelregels. Zo moet je een strafworp nemen vanaf de 4m lijn en mag je als aanvaller zonder bal niet binnen de 2m lijn zwemmen. Dit is zeg maar net zoiets als buitenspel met voetbal. 5. Zomaar een pupillenwedstrijd
Het is de bedoeling dat door goed samenspel en vrijzwemmen de tegenstanders onder druk worden gezet. Wanneer de tegenstander dan een speler even vast houdt of onder duwt heeft hij een grote kans dat de spelbegeleider het ziet. Hij krijgt dan een vrije bal tegen of moet voor 20 seconde langs de kant. Met een man minder in het water kun je natuurlijk makkelijker scoren. Als er een doelpunt is gevallen gaan beide teams op hun eigen helft liggen. Het team dat net heeft gescoord gaat nu verdedigen. De pupillen spelen 4 perioden van 3 minuten zuivere speeltijd. Dat betekent dat als de spelbegeleider fluit de tijdwaarnemer de klok stil zet. Tussen elke periode heb je 2 minuten rust.
De coach kan
de spelers dan dingen vertellen die ze wel of niet moeten doen. Alles bij
elkaar duurt de wedstrijd ongeveer 30 minuten. Natuurlijk zijn er nog veel
meer spelregels. Zo mag je de bal niet met twee handen vangen en mag je
de bal niet wegstompen of onder water duwen. Als de wedstrijd is afgelopen
ga je de spelbegeleider bedanken voor het fluiten. De aanvoerder van het
team gaat zijn handtekening op het formulier zetten. Dan krijg je een deel
van het formulier mee.
Waterpolo dat is mijn sport! |